Probiotica bevorderen een gezonde microbiële flora in het maag-darmkanaal (intestinaal microbioom). De Wereldgezondheidsorganisatie definieert probiotica (‘voor het leven’) als levende micro-organismen die - in voldoende hoeveelheid ingenomen - de gezondheid van de gastheer ten goede komen. Meestal gaat het om melkzuurbacteriën die behoren tot het bacteriegeslacht Lactobacillus of Bifidobacterium. Het is belangrijk precies te weten uit welke bacteriestam(men) een probioticum bestaat. De werkzaamheid en gezondheidsbevorderende eigenschappen van een probioticum zijn grotendeels stamspecifiek. Een vijftal belangrijke, uitgebreid onderzochte probiotische stammen zijn Lactobacillus rhamnosus GG (LGG), Lactobacillus acidophilus LA-5 (LA-5), Bifidobacterium lactis BB-12 (BB-12), Lactobacillus rhamnosus GR-1 (GR-1) en Lactobacillus reuteri RC-14 (RC-14). Het geslacht Lactobacillus is in 2020 heringedeeld, waardoor enkele soortnamen zijn gewijzigd, bijvoorbeeld Lacticaseibacillus rhamnosus en limosilactobacillus reuteri.
Deze bacteriestammen zijn al tientallen jaren op de markt, worden wereldwijd door vele mensen gebruikt en hebben wetenschappelijk aangetoonde gezondheidseffecten.
Zie ook het artikel 'Probiotica' voor een uitgebreide beschrijving van probiotica in het algemeen en de stammen LGG, LA-5, BB-12, GR-1 en RC-14 in het bijzonder.
Probiotische bacteriestammen worden bij voorkeur geïsoleerd uit de darmflora van gezonde mensen (zoals LGG) of worden van oudsher gebruikt voor de productie van gefermenteerde zuivel (zoals LA-5). GR-1 en RC-14 zijn geïsoleerd uit resp. de urethra en vagina van gezonde vrouwen; deze twee stammen zijn specifiek ontwikkeld voor de preventie en behandeling van urogenitale infecties.
De vijf genoemde bacteriestammen voldoen aan belangrijke criteria voor probiotica:
N.B. De hoeveelheid bacteriën in probiotica wordt meestal aangegeven in CFU (Colony Forming Units). Dit geeft aan hoeveel levensvatbare bacteriën in staat zijn om zich te vermeerderen en daardoor een positief effect te hebben in de darm. Wanneer de hoeveelheid bacteriën echter in milligrammen (mg) wordt aangegeven, gaat het meestal om een postbioticum.
Een (relatief) tekort aan gezonde darmbacteriën (symbionten) en een (relatief) teveel aan ziekteverwekkende bacteriën in het maagdarmkanaal (dysbiose) kan leiden tot uiteenlopende gezondheidsklachten, waaronder (maag-darm)klachten zoals winderigheid, een opgeblazen gevoel, buikpijn, krampen, constipatie, diarree, candidiasis en halitose (slechte adem). Dysbiose kan de barrièrefunctie van de darmwand verminderen (verhoging darmpermeabiliteit) en de weerstand tegen infecties verlagen. Dysbiose is geassocieerd met een breed scala aan(chronische) aandoeningen, variërend van darmziekten tot hersen- en stofwisselingsstoornissen. De sterkste associaties worden gezien bij aandoeningen van het maag-darmstelsel, zoals inflammatoire darmziekten (ziekte van Crohn, colitis ulcerosa), PDS (prikkelbaredarmsyndroom), (recidiverende) Clostridium difficile-infectie, colorectaalkanker, allergie/atopie en coeliakie. Ook metabole aandoeningen zoals diabetes type 1 en type 2 en obesitas vertonen een duidelijke samenhang met veranderingen in het intestinale microbioom. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor verbanden tussen dysbiose en neurologische en psychiatrische aandoeningen, waaronder de ziekte van Alzheimer, de ziekte van Parkinson, ADHD, autisme, depressie en angststoornissen. Ook systematische en immuungerelateerde aandoeningen zoals reumatoïde artritis, de ziekte van Bechterew (ankyloserende spondylitis), multiple sclerose en afstotingsreacties na transplantatie lijken geassocieerd met afwijkingen in het microbioom.
Verder zijn er mogelijke verbanden met cardiovasculaire aandoeningen (hart- en vaatziekten), leverziekten (niet-alcoholische leververvetting en steatohepatitis), andere chronische aandoeningen zoals het chronische vermoeidheidssyndroom, fragiliteit bij ouderen, diverticulose en bepaalde infectieziekten, waaronder polio- en retrovirusinfecties. Of dysbiose bijdraagt aan het ontstaan en de progressie van een aandoening of eerder het gevolg is ervan, is niet altijd duidelijk.
Zie het probiotica behandelprotocol voor een overzicht van de bacteriestammen en stamcombinaties bij verschillende indicaties, zodat per situatie de juiste keuze kan worden gemaakt.
Ernstige immunodeficiëntie.
Zie het probiotica behandelprotocol.
Gebruikelijke doseringen variëren van 0,1 tot 100 miljard cfu per dag, afhankelijk van de stam, indicatie en doelgroep.
Niet bekend.
De vijf genoemde bacteriestammen zijn veilig in de geadviseerde doseringen voor alle leeftijden, van zuigelingen tot hoogbejaarden. Langdurig gebruik van probiotica is ook veilig bevonden. Bij kwetsbare groepen, zoals prematuren, immuun-gecomprimitteerde of ernstig zieke patiënten, en mensen met specifieke aandoeningen zoals een centraal veneuze katheter, cardiale klepaandoeningen of short-bowel-syndroom, is wel voorzichtigheid en zorgvuldige monitoring geboden vanwege een verhoogd risico op bacteriëmie.
De International Scientific Association for Probiotics and Prebiotics (ISAPP) adviseert om bij zwangere vrouwen met overgewicht of obesitas probiotica alleen te gebruiken als er extra wordt gemonitord op tekenen van zwangerschapsvergiftiging. Dit advies is tot stand gekomen op basis van resultaten van een Cochrane-review uit 2021 die lijken te wijzen op een verhoogd risico op zwangerschapsvergiftiging bij zwangere vrouwen met ernstig overgewicht of diabetes die probiotica gebruiken. Een meta-analyse uit 2024 concludeert overigens dat het risico op zwangerschapsvergiftiging bij probioticagebruik door zwangere vrouwen met overgewicht mogelijk niet verhoogd is. Voorzichtigheidshalve is het ISAPP-advies echter een goed handvat.
1. Sanders ME et al. Probiotics for human use. Nutrition Bulletin. 2018;43:212–25.
2. Binda S et al. Criteria to qualify microorganisms as “probiotic” in foods and dietary supplements. Front Microbiol. 2020;11:1662.
3. Zheng J et al. A taxonomic note on the genus Lactobacillus: Description of 23 novel genera, emended description of the genus Lactobacillus Beijerinck 1901, and union of Lactobacillaceae and Leuconostocaceae. Int J Syst Evol Microbiol. 2020;70:2782-858.
4. McFarland LV. Efficacy of single-strain probiotics versus multi-strain mixtures: systematic review of strain and disease specificity. Dig Dis Sci. 2021;66:694-704.
5. Hojsak I et al. Guidance on the use of probiotics in clinical practice in children with selected clinical conditions and in specific vulnerable groups. Acta Paediatr. 2018;107:927-37.
6. Merenstein D et al. Emerging issues in probiotic safety: 2023 perspectives. Gut Microbes. 2023;15:2185034.
7. McDougall A et al. The effects of probiotics administration during pregnancy on preeclampsia and associated maternal, fetal, and newborn outcomes: a systematic review and meta-analysis. Am J Obstet Gynecol MFM. 2024;6:101322.
8. Suárez J et al. A part-dependent account of biological individuality: why holobionts are individuals and ecosystems simultaneously. Biol Rev Camb Philos Soc. 2020;95:1308–24.